Taalcolumns van Ruud Hendrickx

Verkeerd

Zij, een Belgische vriendin van ons, wordt verliefd op hem. Hij, een Nederlander, weet zeker dat zij de vrouw van zijn leven is, geeft zijn goedbetaalde baan als ingenieur op, pakt zijn kleren in, verhuist naar België en besluit zijn huis te verkopen. Trots op zijn schilderwerk stuurt hij de internetkoppeling van de makelaardij naar zijn nieuwe Belgische vrienden.

Het huis is er eentje uit zo’n typisch Nederlandse nieuwbouwwijk. Allemaal dezelfde huisjes, met keurig aangelegd voortuintje en een parkeerplaats waar een gemiddelde gezinsauto net niet in past. De makelaar weet het opknapwerk van onze nieuwe Nederlandse vriend kennelijk te waarderen: “Dit sfeervolle pand verkeerd in perfecte staat van onderhoud en is in 2007 buiten geheel geschilderd.”

Verkeerd?! Ach, die Nederlanders. Praten kunnen ze als de besten, maar als ze nu ook nog eens konden spellen. Verloedering is het, meneer, verloedering van de taal, verloedering van het onderwijs en verloedering van heel de maatschappij. Of zijn de Nederlanders intellectueel gewoon niet in staat de spelling van de werkwoordsvormen te leren?

Welnee, niets van dat alles. De makelaar van onze nieuwe Nederlandse vriend is een taalliefhebber pur sang. Voor hem is taal geen verzameling regeltjes, taal is een spel. Waarom probeert hij dat zorgvuldig geschilderde huis te verkopen met zo’n opvallend ‘verkeerd’? Omdat hij gek is op zelfvervullers, woorden die zelf zijn wat ze benoemen.

‘Elfletterig’ telt elf letters en ‘vijflettergrepig’ vijf lettergrepen, en ‘vierentwintigletterwoord’ is een woord van vierentwintig letters. ‘Nederlands’ is Nederlands en ‘woord’ is een woord. En ‘verkeerd’ is … verkeerd.

Het zal wel aan mij liggen, maar ik vertrouw de makelaar van onze nieuwe Nederlandse vriend niet. Van een dt-fout word je niet armer, maar hij biedt ook hypotheekleningen aan. Zou zijn rekenen, vraag ik me dan af, even belabberd zijn als zijn spellen? Ik mag er niet aan denken.