Menig

Laat ik het deze week eens hebben over iets waar ikzelf al menig uur over heb zitten tobben. En ik weet wel zeker dat menig(e) taaladviseur er al menige vraag over gekregen heeft: hoe zit het nu eigenlijk met dat ‘menig(e)’?

‘Menig’ is een eigenaardig woord. Je verbindt het met een zelfstandig naamwoord in het enkelvoud, maar verwijst ermee naar meer dan één zaak of persoon. Het heeft dezelfde betekenis als ‘verschillende’, ‘verscheidene’ en ‘ettelijke’, maar die combineer je met een meervoud. Het zelfstandig naamwoord bij ‘menig’ móét in het enkelvoud staan. Fout is dus ‘menige uren’, wat je in België wel eens hoort en ziet. Het zelfstandig naamwoord moet ook een meervoud hebben. Ook fout zijn dus ‘menige zonneschijn’ en ‘menig goud’.

Bij het-woorden is het altijd ‘menig’. ‘Menig’ meisje droomt van een prins op een wit paard, maar beseft niet dat ‘menig’ huwelijk spaak loopt en dat ‘menig’ advocaten­kantoor daar veel geld aan verdient.

Bij de-woorden die naar zaken verwijzen, is het altijd ‘menige’. In ‘menige’ onderneming duurt ‘menige’ vergadering veel te lang. Dat heb ik al in ‘menige’ cursus gehoord. Als we de theorie nu ook eens toepasten.

Alleen bij persoonsnamen zou je kunnen gaan twijfelen. Als er een onverbogen bijvoeglijk naamwoord voor het zelfstandig naamwoord staat, gebruiken we ‘menig’. ‘Menig beroemd schilder’ heeft die erkenning pas na zijn dood gekregen. Is het bijvoeglijk naamwoord verbogen, dan is het ‘menige’. ‘Menige Vlaamse auteur’ komt in Nederland niet aan de bak. Staat er niets bij een persoonsnaam, dan is de keuze in principe vrij. ‘Menig(e) taaladviseur’ is het daarmee eens.

Maar misschien hoef je al die spraakkunst niet in je hoofd te proppen. ‘Menig’ klinkt formeel en komt vooral in de geschreven taal voor. In gesproken taal hoor je het nauwelijks. Waarom zouden wij radio- en tv-makers het dan gebruiken?