Taalverkrachters!

We hebben het verkorven bij luisteraar K uit Gent. “De media hebben een verschrikkelijk grote invloed en verkrachten met dit soort nonsens het elementaire taalgevoel van elke burger”, schrijft hij me in een boze e-mail. En toch hebben we ons aan niets anders bezondigd dan aan algemeen Nederlands.

Luisteraar K “ergert er zich rot aan” dat we ‘verkoop’ systematisch met de klemtoon op de eerste lettergreep uitspreken, “terwijl dit zonder enige twijfel verkeerd is”. K vergist zich. In Nederland zeggen ze bijna altijd ‘de vérkoop’, in Vlaanderen zeggen we meestal ‘de verkóóp’.

Ik heb niets tegen de uitspraak ‘verkóóp’, maar ik denk er ook niet aan om de correcte uitspraak ‘vérkoop’ te verbieden. In een economisch verslag is ‘vérkoop’ zelfs te verkiezen boven ‘verkóóp’, al was het maar om het contrast met ‘aankoop’ beter te laten uitkomen.

Met ‘het onderwijs’ gaat het volgens K ook helemaal mis. Dat hoor je wel meer, maar hij heeft het over het woord zelf. “‘Onderwijs’”, zegt hij, “wordt verkeerdelijk uitgesproken als ‘ónderwijs’.” K vergist zich.

Er is een verschil tussen het zelfstandig naamwoord ‘onderwijs’ en de werkwoordsvorm ‘onderwijs’. Je zegt ‘het ónderwijs’ en ‘ik onderwíjs’. Net zo staat ‘het ónderzoek’ naast ‘ik onderzóek’. In een samenstelling behouden ‘ónderzoek’ en ‘ónderwijs’ hun klemtoon: de ónderzoeksinstelling, het ónderwijsnet.

“‘Werkloos’ is nog zo eentje”, gaat K door. “De VRT zegt ‘werklóós’, maar je zegt toch ook niet ‘hartelóós’.” Toegegeven, als iemand ‘werklóós’ heeft gezegd, dan was dat behoorlijk fout. Het grondwoord is ‘wérkloos’. Maar in afleidingen verspringt het accent. Bij ‘wérkloos’, ‘slápeloos’ en ‘beslúiteloos’ horen ‘werklóósheid’, ‘slapelóósheid’ en ‘besluitelóósheid’. Zo gek is dat niet. Klemtoonverspringen komen heel vaak voor in het Nederlands. Zo zeg je bijvoorbeeld ook ‘wétenschap’ en ‘wetenscháppelijk’.

Systematisch onze taal verkrachten, dat doen we volgens K. Plegen we daarmee een ‘misdaad tegen de menselijkheid’? Ik durf het nauwelijks te zeggen, want ook daar ergert K zich – ten onrechte – “onnozel” aan.