Een s’je meer of minder

Meer dan eens heb ik Word de afgelopen jaren vervloekt. Voor we Word hadden, maakte vrijwel niemand er zich druk om. Maar nu we allemaal met dat programma werken – en vooral met de spellingchecker die erin zit – slaat de onzekerheid toe. Is het nu ‘werkgelegenheidsbeleid’ of ‘werkgelegenheidbeleid’, dat soort onzekerheid.

Hoe zit het in elkaar? Volgens het Groene boekje schrijf je een tussen-s als je die hoort. Alleen kom je daar niet erg ver mee, want wanneer hoor je een tussen-s?

Nederlandstaligen hebben een behoorlijk goed taalgevoel als het over die s gaat, maar de taalkundigen slagen er niet in waterdichte regels uit die intuïtie af te leiden. Daar zit het probleem van Word: wij mensen voelen aan ons water dat een woord met een tussen-s moet, maar de domme computer brengt ons aan het twijfelen.

Er zijn maar een handvol zekerheden. Na verkleinwoorden heb je altijd een tussen-s. Mannen in een ‘streepjespak’ vloeken met ‘bloemetjesbehang’, en een ‘koekjesdoos’ waar ‘spruitjeslucht’ uit komt, moet dringend gelucht worden. Na mannelijke persoonsnamen op -er, -eur, -ier, -aar die een meervoud op -s hebben, komt ook een s. Daarom hebben sommige ‘straaljagerpiloten’ (een straaljager is geen persoon, dus geen s) een ‘ingenieursdiploma’ (een ingenieur is een persoon, dus wel een s).

Na woorden op -ing komt meestal, niet altijd, een s. We hebben ‘ondernemingszin’, houden een ‘functioneringsgesprek’ en vertrouwen op een ‘spellingscorrector’, al kan het ook een ‘spellingcorrector’ zijn. Ook na woorden op -heid komt doorgaans een s. Calimero heeft een flink ‘minderwaardigheidscomplex’, flitspalen zijn ‘snelheidsduivels’ een doorn in het oog en de spoorwegen houden – o, ironie! – geregeld ‘stiptheidsacties’.

Maar meestal ben je op jezelf aangewezen, op die grijze celletjes die je al tientallen jaren vlot Nederlands laten spreken. Die laat je toch niet vallen voor zo’n dom computerprogramma als Word, toch? Zeg je spontaan een s, schrijf die dan ook, wat Word ook mag beweren.