Taalcolumns van Ruud Hendrickx

Belangruk

De vrouw aan de andere kant van de lijn krijgt net geen toeval.

“Meneer, hebt u iets te maken met de taal? Ik moet het tegen iemand kunnen zeggen, want nu heb ik er echt genoeg van. Kunt u iets doen aan het misbruiken van onze taal? Ik word er echt niet goed van. En het wordt almaar erger, hè. Er is bijna niemand meer die het nog zegt zoals het moet. Nog erger, als je het goed zegt, dan bekijken ze je alsof je gek geworden bent. Zelfs de schooljuf van mijn kleinzoon, meneer, doet het. Toen ik haar erop wees, zei ze dat ze daar nog nooit een opmerking over gekregen had. Ze had er zelfs nog nooit van gehoord, meneer. Bent u er nog?”

Een aanzet tot ‘ja’ krijg ik er nog net tussen.

“En ik weet ook wie ermee begonnen is. Een jaar of vijf, zes geleden is hij het ineens beginnen te zeggen en iedereen doet het na, hè meneer. Verhofstadt is ermee begonnen. En die van het Vlaams Blok doen het ook. Ze zouden zich verdorie beter bezighouden met ‘eigen taal eerst’. ’t Is toch waar, hè? Bent u er nog?”

Zelfs een aanzet tot ‘ja’ krijg ik er nu niet meer tussen.

“Hoe komen ze in godsnaam bij dat ‘belangruk’? Het is toch ‘rijk’ en niet ‘ruk’ aan belang, hè meneer. Verhofstadt is ermee begonnen, met dat ‘belangruk’. En nu doen ze het allemaal, hè meneer. Dat moest ik toch eens kunnen zeggen.”

En toen was ze weg.