Hun zijn haar

Nee, beste lezer, ik ga geen boom opzetten over Amsterdamse boeventaal (“nou gozer, ik speul effe hem en hun zijn haar”). Nu we ‘Baantjer’ – ondertiteld – op tv hebben, kun je daar alles horen over ‘lefgozers’ en ‘gepenkoppen’. Nee, de nieuwsredactie van Oost-Vlaanderen zat met een probleempje: wordt een echtpaar overvallen in ‘zijn’ of ‘hun’ flat? En ik die dacht dat je in Oost-Vlaanderen nog veilig voor je tv kon hangen.

We weten allemaal hoe het werkt. Als het woord waar je naar verwijst in het enkelvoud staat, gebruik je ‘zijn’ of ‘haar’. Staat het in het meervoud, dan gebruik je ‘hun’. Allemaal samen: de boom heeft ‘zijn’ laatste blad verloren, de kat vindt ‘haar’ jongen niet meer, de tulpen laten ‘hun’ kop hangen.

Maar met verzamelnamen, zoals ‘bestuur, delegatie’ en ‘echtpaar’, is het niet zo makkelijk. Dan kun je binnentekstelijk én buitentekstelijk verwijzen. Mag het ietsje duidelijker, taaladviseur? Ja zeker. Binnentekstelijk verwijs je puur spraakkunstig naar het woord zelf, buitentekstelijk naar de mensen die je met de verzamelnaam aanduidt. Binnentekstelijk verwijs je naar het wóórd ‘bestuur’, buitentekstelijk naar de ménsen in de echte wereld die lid zijn van dat bestuur. En dat heeft zo z’n gevolgen voor je zin.

Neem ‘bestuur’. Als je de eenheid wilt beklemtonen, dan verwijs je binnentekstelijk naar het enkelvoudige woord ‘bestuur’: het bestuur heeft ‘zijn’ besluit genomen. Wil je iets zeggen over de leden van het bestuur, dan zeg je met een buitentekstelijke verwijzing naar de mensen: het bestuur was niet gelukkig met het besluit, dat kon je op ‘hun’ gezicht zien.

Buitentekstelijk verwijzen doen we wel meer. ‘Het meisje’ is puur spraakkunstig onzijdig en naar onzijdige woorden verwijs je met ‘zijn’. Als we binnentekstelijk verwezen, zouden we met z’n allen zeggen dat het meisje ‘zijn’ speelgoed niet meer vindt. En dat doet niemand. We verwijzen allemaal buitentekstelijk naar het meisje en ‘haar’ speelgoed.

Zeker in de spreektaal verwijs je dikwijls buitentekstelijk, naar echte mensen en niet naar spraakkunstige elementen. Daarom zeggen we: het koninklijke paar en ‘hun’ kinderen groetten de omstanders, een delegatie van het Vlaams Parlement gaat praten met ‘hun’ collega’s uit Nederland. En in Oost-Vlaanderen is een echtpaar (denk: een man en een vrouw) in ‘hun’ flat overvallen.