Korte en lange hoofden

Ruim tien jaar werk ik aan de Dikke Van Dale en wat ben ik blij dat ik dat altijd met een computer heb kunnen doen. Wat een verschrikking moet het zijn geweest om het overzicht te houden over die duizenden woorden en betekenissen, toen die alleen maar op kaartjes in een schoenendoos stonden.

Onlangs viel mijn oog op het woord langhoofdig in de Dikke. Vraag me niet waarom, dat gebeurt nu eenmaal als je in het woordenboek rondneust. Langhoofdig krijgt als verklaring ‘langschedelig’, en dat wordt verklaard als ‘een lange schedel hebbend’. Je hebt waarschijnlijk al wel door dat het termen uit de antropologie zijn.

Als er mensen zijn die ‘langschedelig’ genoemd worden, zijn er dan ook ‘kortschedelige’ mensen? Jazeker. Dat staat ook in de Dikke. In de elektronische versie kun je bij langschedelig het antoniem kortschedelig aanklikken en, hup, de computer brengt je er meteen naartoe.

Als er ‘kortschedelige’ mensen bestaan, kun je die dan ook ‘korthoofdig’ noemen? Jazeker, dat wordt genoemd als antoniem bij langhoofdig. En als je korthoofdig aanklikt … dan gebeurt er niets. Korthoofdig staat niet als trefwoord in de Dikke.

Dat moet je als hoofdredacteur meteen oplossen. Je moet in de eerste plaats korthoofdig toevoegen en definiëren. Daarna begint het gepuzzel met koppelingen in de rest van de gegevensbank. Korthoofdig moet verklaard worden met het synoniem kortschedelig en moet ook gekoppeld worden aan het antoniem langhoofdig. En langhoofdig moet dan weer gekoppeld worden aan korthoofdig, langschedelig aan langhoofdig en kortschedelig aan korthoofdig.

Voor je het weet, ben je een halfuur bezig met het koppelen van alle ‘korten’, ‘langen’, ‘hoofdigen’ en ‘schedeligen’ aan elkaar. Het resultaat is dan een consistent woordenboek. Hoera! Maar zou zo’n bewerking ook zo lang geduurd hebben, toen die woorden alleen maar op een kaartje in een schoenendoos stonden?

Deze column is eerder verschenen op de website van Van Dale.