Site, geef me honderd dagen

Honderd dagen vroeg Jean-Luc Dehaene om het politieke kluwen te ontwarren. Na honderd dagen gaf Bert De Graeve zijn visie op de publieke omroep. Zal ik in honderd dagen de ‘site’ uit ons leven bannen?

Een strandligger of zonneklopper – een heerlijk Belgisch woord – ben ik niet. Op vakantie vind je mij, net als andere Vlamingen, wel eens op een ‘site’. Je weet wel, zo’n plek met een hoop stenen die ooit een tempel geweest zijn. Nederlanders bezoeken nooit een ‘site’. Ze zijn er wel, maar zij lopen rond op een ‘archeologische vindplaats’ of een ‘opgravingsterrein’. Tegen deze ‘site’ heb ik – volgens sommigen misschien ten onrechte – weinig bezwaren.

Ik heb wel een grondige hekel aan alle andere ‘sites’ die ons langzamerhand overspoelen. Begrijp me niet verkeerd: ik heb het niet over ‘saaits’, websites, maar over ‘sites’, met een i. Weg daarmee! “Saddam Hoessein moet ook de presidentiële ‘sites’ laten controleren”, hoor ik in het journaal. ‘Paleizen’ kun je ze niet noemen, want het gaat om uitgestrekte gebieden. Maar wat dacht je van ‘presidentiële domeinen’? Of staat er soms een omstreden klooster op de koninklijke ‘site’ in Opgrimbie?

In Ninove wordt de ‘site’ van de voormalige wasserij Ideal Shop afgegraven? Vergeet het. De ‘terreinen’ van de wasserij worden afgegraven. Wat moet er gebeuren met de ‘sites’ van Tihange en Doel als er geen stroom meer geproduceerd wordt? Niks. Maar wat moeten we met die ‘centrales’ beginnen?

Op Bali wordt een aanslag gepleegd en de Australische minister van Buitenlandse Zaken bezoekt de ‘site’? Nee hoor, hij bezoekt de ‘plaats’ van de aanslag. In Brugge is een eerste tienerspeelsite geopend. Zouden we die kinderen geen ‘speelterrein’ geven?

Je hoeft niet ver te zoeken als je wilt weten waar die ‘sites’ vandaan komen. Uit het Frans en het Engels, natuurlijk. Maar klinkt ‘un plek nucléaire’ of ‘a nuclear terrein’ belachelijk? Dan is ‘een nucleaire site’ ook belachelijk.